Lichaamssamenstelling
Het lichaam bestaat uit spierweefsel en vetweefsel. Voor de meeste personen geldt dat het aandeel vetweefsel toeneemt bij het stijgen van de BMI. Sporters kunnen een hogere BMI hebben zonder dat de gezondheidsrisico’s toenemen. Sporters- vooral bij explosieve sporten zoals turnen, sprinten, schaatsers, bodybuilders- ontwikkelen meer spierweefsel waardoor hun gewicht toeneemt. Deze atleten hebben een hogere BMI, veel spierweefsel en een laag vetpercentage.
BMI, tailleomtrek, vetpercentage
De BMI, tailleomtrek en vetpercentage geven samen de gezondheidsrisico’s aan van je overgewicht.
Tailleomtrek
De tailleomtrek kun je eenvoudig meten. Leg hierbij een meetlint rond uw taille, het gedeelte tussen de onderste rib en de bovenkant van het bekken ( heupbeen ). Zorg dat de meter goed aansluit, maar trek de huid niet samen.

Voor mannen geldt een tailleomtrek van < 94 cm en voor vrouwen < 80 cm om geen verhoogd risico te hebben.
Vetpercentage
Een bodybuilder heeft een hoge BMI – waarde en zal overgewicht hebben volgens de BMI. Hij heeft echter een laag vetpercentage. Het vetpercentage is het gewicht aan vetten ten opzichte van het totaalgewicht. Bij een persoon met een vetpercentage van 17 %, bestaat 17 % van zijn totaalgewicht uit vetweefsel. Het vetpercentage kun je meten door huidplooimeting of electrodiagnose.
Een ideaal vetpercentage voor mannen < 20 %, voor vrouwen < 30 %.
Conclusie
Het berekenen van de Body Mass Index is voor de meeste personen een goede indicatie om te weten of men een gezond gewicht heeft of overgewicht met de daarbij behorende gezondheidsrisico’s. Het meten van je tailleomtrek en vetpercentage bepaalt of deze gezondheidsrisico’s zich ook daadwerkelijk voordoen.
















